Op het moment dat ik met pensioen ging, besloot ik om vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik had veel vrije tijd en vond dat ik een gedeelte daarvan kon inzetten voor de ander. Op de poli hematologie van een academisch ziekenhuis vroegen ze gastvrouwen voor één dagdeel in de week. Ik besloot te solliciteren en na een pittig gesprek kon ik beginnen. Wel wilde ik een hele dag werken en na overleg werd besloten dat dat akkoord was.
Een huiskamergevoel
Het was een grote polikliniek met veel patiënten. Alle leeftijden vanaf 18 jaar kwamen daar bij de artsen. Onder de 18 gingen ze naar de kinderpoli. Sommige patiënten waren erg ziek en dat was ook de reden dat het er niet zo uitzag als op de meeste poli’s met rijen stoelen in een steriele ruimte. Men had ervoor gekozen om een soort huiskamergevoel te creëren. Er stonden relaxstoelen, tv’s, lage tafeltjes, veel planten en tijdschriften.
De ruimte zag er vriendelijk uit
Er was ook een koffiehoek waar de mensen verschillende soorten koffie konden kopen en wat kleine snacks. Het wachten duurde soms lang en bovendien kregen ze vaak dagbehandelingen. Daarna kwamen ze dan weer terug en een kop koffie of thee met iets lekkers was dan erg welkom. Er kwam veel licht binnen door de grote ramen waardoor de ruimte er vriendelijk uitzag voor zover je dat kunt zeggen van een polikliniek.
Ze kwamen uit het hele land
Iedere woensdag opende ik om half 9 samen met een collega de koffiehoek. Vaak zaten er al mensen die graag wat wilden drinken. Sommigen hadden al een flinke reis gemaakt. De patiënten kwamen namelijk uit het hele land. Er werd eerst bloed afgenomen en terwijl ze wachtten op de uitslag konden ze bij ons terecht. Anderen kregen een behandeling met chemo en daarna konden ze dan bijkomen in de koffiehoek voordat ze weer naar huis gingen.
Dat was best confronterend
Na verloop van tijd begon ik de mensen wat beter te kennen. Vaak waren het dezelfde gezichten die iedere week terugkwamen. Soms gebeurde het dat we mensen niet terugzagen. Dat was meestal geen goed teken. Dat was best confronterend, maar we konden altijd terecht bij iemand om erover te praten. Zeker als je de patiënt wat beter kende, was het lastig om ze na een paar maanden, of soms zelfs korter, niet meer te zien.
Een luisterend oor
We probeerden een zo rustig mogelijke omgeving te creëren. Regelmatig kwamen ze aan de grote tafel zitten om de krant te lezen of zomaar te zitten met familie of vrienden. Het was ook de bedoeling dat wij een luisterend oor boden als daar behoefte aan was. Vaak zag je dat al, maar af en toe kon je er geen pijl op trekken. Dan bleven we op de achtergrond totdat duidelijk was waaraan men behoefte had.
Vastigheid in onzekere tijden
In de gesprekken die ik had, bleek dat men heel blij was dat het elke week dezelfde gezichten waren die klaarstonden voor hen. Vastigheid in onzekere tijden. Als een van ons er een keer niet was, werd daarop meteen gereageerd: ‘ik miste je. Was je op vakantie?’ Wat ook opviel was dat men bij ons kon praten over de ziekte, maar ook over de politiek of andere belangrijke of onbelangrijke zaken. Dat werd heel erg gewaardeerd. We hoorden regelmatig zeggen: ‘Bij jullie kun je over van alles praten, in tegenstelling tot familie en vrienden. Dat is juist zo fijn.’
Dan werden er grappen gemaakt
Blijdschap als er weer een paar donshaartjes zichtbaar waren of een afspraak over twee weken in plaats van een. Dan werden er grappen gemaakt. Wat mij heeft geraakt was het feit hoe vechtlustig mensen zijn, hoe ziek ze ook waren. En de dankbaarheid dat er anderen voor hen klaarstonden. Ik heb daar veel van geleerd en denk er nog regelmatig aan terug. Ruim vier jaar heb ik daar gewerkt en ben nog steeds blij dat ik wat heb kunnen betekenen voor hen in die moeilijke tijd.






