Met de groepen 7 en 8 gingen we elk jaar een week op kamp naar Bladel. Een dorp in Brabant tegen de Belgische grens aan. In het bos staat de beroemde heksenboom. Een monumentale beuk van 130 jaar oud. De naam komt van een streekverhaal over de bende van Zwarte Kaat. Zij zou hier begraven liggen. Tijdens die week zijn de activiteiten vooral buiten omdat deze kinderen uit de grote stad komen. Hun leven speelt zich op school, op straat en thuis af. Een van de activiteiten is naar de Heksenboom gaan als het donker is. Vooraf wordt dan het verhaal van Zwarte Kaat verteld.
Zwarte Kaat zal toch niet?
Samen met een collega ga ik weg. Zogenaamd om de route te controleren. Ze weten nog niet dat ik het spook zal zijn. Bij de boom aangekomen maken we snel een aantal waxinelichtjes vast en steken ze aan. Het ziet er sprookjesachtig uit. Mijn collega gaat terug naar het kamphuis en ik installeer me zo goed en kwaad als het kan achter een struik. Ik heb een zaklantaarn en telefoon bij me voor het geval er iets zou gebeuren. Mijn witte laken ligt klaar. Van het pad af ben ik niet te zien en dat is nu net de bedoeling. Wel moet ik toegeven dat het best spannend is in het donkere bos. Allerlei geluiden die ik niet direct kan thuisbrengen. Zwarte Kaat zal toch niet….?
Vol bewondering kijken ze naar de verlichte boom
Na een korte tijd hoor ik kinderstemmen. Snel doe ik het witte laken over mij heen en de zaklantaarn in de hand. Die gaat straks aan. Steeds dichterbij komen ze. Vol bewondering kijken ze naar de verlichte boom. Helemaal niet eng hoor ik er een zeggen. Mijn collega zal iets zeggen waardoor ik weet dat ik in actie moet komen. Als het moment daar is, knipper ik met de zaklantaarn. Dat hebben ze gezien en ze vragen zich angstig af wat het is. ‘Niks aan de hand’ zegt een van de volwassenen. Ik maak nu ook een zacht geluid en een paar meisjes beginnen te gillen. Ze vertrouwen het echt niet en kruipen dicht bij elkaar.
‘Meester gaan we alstublieft terug?‘
Dan laat ik de zaklamp nog een keer knipperen en kom in vol ornaat tevoorschijn. De chaos is compleet. Gillen, huilen en een van de jongens hoor ik zeggen: ‘Ik wil niet dood, ik ben nog veel te jong.’ Gelukkig kan ik me inhouden en barst niet in lachen uit. ‘Meester gaan we alstublieft terug?’ Vooral dat alstublieft hebben ze nog nooit gezegd. Ik verdwijn weer achter de struiken en de groep gaat dicht bij elkaar lopend weg van de boom.
Ik ga op bed liggen
Als ik niets meer hoor, maak ik snel de lichtjes uit. Ik prop het laken in de plastic tas en ga vlug terug naar het kamphuis. Het is lastig om in het donker de weg terug te vinden. Maar met een kleine omweg lukt het me om terug te zijn voordat de kinderen er zijn. Ik ga op bed liggen, want ik had zogenaamd hoofdpijn. En dan kun je niet mee naar die enge boom.
‘Juf, spoken bestaan en ik was zo bang‘
Even later zijn ze terug. Ze gaan allemaal rond de open haard zitten en krijgen warme chocolademelk met slagroom. Dat hebben ze wel verdiend na die spannende ogenblikken. Sommigen zijn stil, anderen zien wit rond de neus en de jongens doen nu eigenlijk best wel stoer.
Ik kom naar beneden en vraag hoe het was. ‘Juf, spoken bestaan en ik was zo bang. Echt we hebben er een gezien. Ik ga nooit meer naar die boom, ook niet als het licht is.’ Mijn collega geeft me een knipoog. Missie geslaagd.







2 reacties
Wat een heerlijk spannend verhaal Willy. Dat heeft diepe indruk gemaakt op de kinderen.
Jose dit zijn van die gebeurtenissen die je nóóit meer vergeet. Het was vooral ook interessant om te zien hoe deze stadskinderen op de natuur reageerden. Zoals één kind zei: het stopt hier nergens. Thuis keken ze aan tegen de andere huizen. Hier zagen ze ruimte.