“Doe dan, doe dan…” hoor ik een jonge vrouw streng zeggen. Ze ziet er schichtig uit, bijna verwilderd. Ik passeer haar in de parkeergarage van het ziekenhuis. In een rolstoel voor haar zit een oudere man, vermoedelijk haar vader. Ik probeer de situatie aan te voelen, in te schatten.
“Oma, oma, zie je onze auto al?” Mijn kleinzoon wijst dolenthousiast naar een witte auto verderop. Zijn stemmetje haalt me op slag uit mijn gedachten, zoals kinderen je zo heerlijk naar het hier en nu kunnen brengen. Samen met hem en mijn zoon loop ik naar hun auto. Ik help ze even met de spullen en zwaai ze uit. Daarna loop ik terug door de garage, richting de ingang van het ziekenhuis.
Kuddedieren
De jonge vrouw staat nog steeds bij de betaalautomaat, vlak voor de schuifdeuren richting de trap en de liften. Mensen lopen haar straal voorbij, net als ik.
Mijn hoofd is wat vol, mijn gedachten gaan alle kanten op en ik heb haast. De laatste tijd ben ik vaak in het ziekenhuis. Terwijl ik verder loop, zie ik vanuit mijn ooghoek hoe ze de oude man in de rolstoel door elkaar schudt. Ze spreekt hem fel toe. Het voelt verkeerd, het ziet er naar uit. Ik schud het nare gevoel van mij af. Focus, het is al laat. Mijn benen volgen automatisch de stroom mensen die verder richting de lift lopen, als een kuddedier volg ik hen.
Wanhopig herhaalt ze haar woorden
Eindelijk word ik mij bewust van mijn gedrag. Ik ruk mij los en loop een stukje terug naar de parkeerplaats. Ik ben pissig op mezelf: ik negeerde haar gewoon en liep haar zonder pardon voorbij, terwijl er duidelijk iets aan de hand was. Nog steeds lopen mensen hen voorbij. Nu, met mijn aandacht erbij, hoor ik pas echt wat ze zegt. Terwijl ze de man door elkaar blijft schudden, herhaalt ze wanhopig: “Wat hadden we afgesproken?! Jij zou blijven ademen! Doe dan, doe dan…” Het klinkt als een doorgedraaide mantra waar ze in verstrikt zit.
Mijn maag krimpt ineen. Ik ren naar haar toe. “Wat kan ik doen? Ademt hij nog?” Haar vader hangt als een slappe pop voorover in de stoel. Zij kan geen kant op, ze voorkomt dat hij uit de stoel valt. “Ik ga hulp halen!” roep ik, en zonder haar antwoord af te wachten ren ik de trappen op. “Jaaaaaa!” hoor ik haar achter me aan schreeuwen, haar mantra doorbrekend.
Er moet hulp komen
Ik vlieg de trappen op, het ziekenhuis in. De gastheer bij de ingang ziet aan mijn haast dat er paniek is. Ik roep waar en wat er aan de hand is. Hij rent meteen de trap af naar de garage, maar ik weet dat dit niet genoeg is. Ik dring voor bij de centrale receptie. “Er is een meneer in een rolstoel met ernstige ademnood op parkeerdek -1. Hij heeft nu medische hulp nodig!” De receptioniste pakt direct de hoorn op. Binnen enkele seconden ren ik samen met de beveiligers de trap af. Ik zorg dat de lift voor hen vrij blijft. Wanneer ze in de lift zitten, ga ik de trappen op.
De jonge vrouw stapt uit de lift, ze knikt me kort toe. Daarna rent ze achter de beveiligers aan die met haar vader, in de rolstoel tussen zich in, door de lange gangen van het ziekenhuis richting de spoed rennen.
Verlamd door de massa
Kuddedieren zijn we. Met oogkleppen op. Hoe lang stond die vrouw daar al te roepen en haar vader te schudden? Waarom zijn we met z’n allen zo afgestompt? Druk, druk, druk… Waarmee eigenlijk? Te druk om even stil te staan en een hand uit te reiken naar iemand die duidelijk hulp nodig heeft? Te druk om elkaar te zien?
Ik heb toch een EHBO-diploma?
Niets had ik aan mijn ooit behaalde EHBO-diploma. Zelfs de eerste basisstappen vergat ik door de stress: rustig blijven, bewustzijn en ademhaling controleren, iemand anders aanwijzen om 112 te bellen of hulp te halen. De ene strenge gedachte na de andere halen mij naar beneden, tot ik mijzelf dwing om mijzelf zachter toe te spreken: Je hebt uiteindelijk wel gehandeld. Je hebt hulp gehaald.
Ik schud de hardnekkige ‘Ja maar’s’ van mij af, het heeft ook geen nut om in de ‘wat als’ te blijven hangen. What’s done is done. Ik breng mijn ademhaling weer tot bedaren. Adem in en heel langzaam weer uit.
‘Be a Rainbow in Somebody Else’s Cloud’
– Maya Angelou
Een oproep aan mijzelf én aan jou
Zie elkaar. Blijf kijken, blijf voelen en volg niet blindelings de massa. Wees alert, wees lief voor de mens én voor jezelf. Want alleen zo maken we, mens voor mens, de wereld weer een stukje mooier en liefdevoller.






