Be a rainbow in somebody’s cloud

Stanley is een lange Surinaamse jongen van 15 jaar. Hij is dit schooljaar nieuw. Hij valt op en valt buiten de groep. Hij spreekt bijvoorbeeld geen straattaal, wat op deze school wel gebruikelijk is. Stanley spreekt keurig ABN en gebruikt volwassentaal, is sociaal zeer correct. Hij wacht op zijn beurt, houdt de deur voor de ander open, spreekt met twee woorden, zegt u en bedankt wanneer je hem iets aangeeft. Hij ruimt zijn spullen op, gooit weg wat weg moet… in de prullenbak. Kortom de ideale leerling zou je zeggen. Maar op deze school ‘blend’ hij niet.  

Straattaal
Zelf spreek ik een aardig woordje straattaal, na wat jaren op scholen te hebben gewerkt. Handig, want dan vang je een beetje op wat er om je heen gebeurt: ruzies, verdriet, vechtpartijen, wordt er iemand uitgescholden, getreiterd? Oren, ogen en lijf zijn mijn voelsprietjes en hebben al veel ellende voorkomen. Daarnaast kan je jongeren zo doen verbazen wanneer je met een knipoog een woordje meepraat tijdens de pauze. Ze passen daarna wel op wat ze in mijn buurt zeggen. Toch kan ik het niet laten, het is gewoon te grappig. ‘Eenmanslol’ noemt mijn dochter dat, wanneer ik alleen lach om mijn eigen grapjes. Ach ja… iets met je eigen slingers ophangen of zoiets. 

Schaamte over zijn diagnose
Stanley zit tegenover mij, bij de juf die geen juf is. Hij zit op allerlei clubjes, hij schaakt. Over zijn diagnose praat hij liever niet. Hij schaamt zich. 
“Weet je, zo’n diagnose is een etiketje, niets meer dan dat. Elk mens heeft een gebruiksaanwijzing en soms past daar een etiketje op. Het etiketje is vaak nodig voor de buitenwereld, voor de school, voor de hulpverlener of verzekeraar. Jammer natuurlijk, want je blijft wie je bent met of zonder dat etiketje, je bent zoveel meer. Jij bent unieke JIJ. Iedereen heeft wel iets en de meeste mensen praten daar liever niet over” vertel ik hem. 

Mijn gebruiksaanwijzing
“Juf, heeft u ook een gebruiksaanwijzing? Mag ik dat vragen?” 
“Tuurlijk mag dat, ik weet immers de jouwe, wel zo eerlijk vind je niet? Mijn etiketje is bijvoorbeeld dysorthografie en taalzwak. Lekker handig om dan op een school te werken toch!?” grap ik met een serieuze ondertoon, want het maakt mij weleens onzeker en ook ik praat er liever niet over. “Mijn gebruiksaanwijzing is dat je mij liever niet in de spotlights zet, dan voel ik me heel ongemakkelijk.” Ik vertel hem nog wat dingen. Hij lacht om mijn vlinderangst en ik lach mee. Het is ook volslagen idioot, ze zijn mooi en ik houd van mooie kleuren. Geef mij libelle‘s, bijen, wespen… maar één vlinder en ik spring over de tafel, ren weg, raak in paniek en je herkent mij niet meer terug. “Tja that’s me” zeg ik tot slot. 

Zijn gebruiksaanwijzing
Stanley ontspant en haalt diep adem. 
“Weet jij wat jou helpt en wat niet?” vraag ik hem. Hij vertelt dat wanneer er iets niet volgens plan gaat, hij in paniek raakt. Dat wanneer er iets afgesproken is en iemand zijn afspraak niet nakomt, hij heel boos kan worden. Onrecht is ook zo’n dingetje. Sommige grapjes snapt hij niet gelijk en de sociale context vindt hij moeilijk. Hij neemt dingen letterlijk en het figuurlijke moet worden toegelicht. Hij houdt van regeltjes, duidelijkheid, eerlijkheid, routine en structuur. Hij heeft veel geleerd van zijn moeder hoe hij zich moet gedragen, wat wel en niet mag, hoe hij sociaal kan zijn, de sociale regels dat helpt en chocolademelk maakt hem rustig. 

We maken een plan voor de moeilijke momenten die zeker gaan komen. Ik mag het plan delen met docenten en zijn mentor. Hij mag altijd tussendoor naar mij toekomen, maar soms ben ik op de andere scholen, dan mag hij mij bellen. We spreken een woord af dat hem rustig maakt: ‘Chocolademelk’. Ik bedank hem voor het delen van zijn gebruiksaanwijzing. De diagnose is niet genoemd en dat is ook totaal niet nodig. 

Geflipt
Een mentor komt mijn kamertje binnen gestormd, duidelijk overstuur. “Stanley is totaal over de rooie, dit kan echt zo niet langer. Hij is geflipt, hij gaat niet weg van zijn plek. Ik krijg hem de klas niet in!” gaat hij bozig door. Het woord geflipt maakt wat los in mij, ik voel het in mijn lijf, maar ik laat hem even razen. “Wat is er gebeurd?” vraag ik, terwijl ik opsta en met hem meeloop. 

De mentor vertelt over de roosterwijziging. “Heeft iemand de wijziging met hem besproken? Het op tijd doorgegeven?” Ondanks de afspraken rondom Stanley gaat het wel eens mis. Het is druk op school, maar het niet aan hem vertellen heeft zo zijn consequenties. Voor niemand fijn. De mentor wil liever niet meelopen, maar ik wil dat wel, zodat hij ziet dat Stanley niet geflipt is en dat hij weet wat te doen.

Tegenwoordig is aanraken een soort van verboden
Ik zie Stanley. Ik zie niet wat de mentor zag. Ik zie een jongen totaal in paniek in elkaar gedoken, niet wetend wat hij met zichzelf aan moet. Er staan leerlingen om hem heen, niemand durft hem te benaderen. Ik stuur ze weg en loop naar hem toe. 
“Stanley?” zeg ik vriendelijk terwijl ik heel langzaam en zacht mijn hand op zijn schouder leg. Tegenwoordig is aanraken een soort van verboden. Ik doe het toch, want lijfelijk contact laat spanning los. Het is een gekke wereld wanneer lichamelijk contact niet mag uit angst voor misvattingen. Ik begrijp waar het vandaan komt, maar het blijft verdrietig dat dit de oplossing is die we dan bedenken met z’n allen.

Chocolademelk is mijn toverstaf
“Stanley, kom. Het is oké.” Hij kijkt op. Verdrietige ogen kijken mij aan. 
“Kom lieverd, we gaan warme chocolademelk drinken” terwijl ik mijn hand uitsteek om hem overeind te helpen.
Het woord lieverd is eruit voordat ik het door heb, nog zo’n protocoldingetje. 

Hij staat op en woordloos lopen wij naar de lerarenkamer. Ik voel de ogen van de mentor in mijn rug. Hij vertrouwt het nog niet. En dat wij naar de lerarenkamer lopen, om uit de lerarenmachine, voor deze jongen, een leerling, een kop chocolade te halen, dat ligt gevoelig. Maar ik wil dat hij ziet dat het zo simpel kan zijn om weer de routine en daarmee veiligheid te bieden die deze jongen zo hard nodig heeft om goed te functioneren. Chocolademelk is mijn toverstafje. 

Stanley wordt rustig, neemt een slok. Hij kijkt mij aan en zegt met een zucht: “Dank u wel juf.” Hij kijkt de mentor aan en zegt: “Het spijt mij meneer, ik had even geen controle door de roosterwijziging, daar kan ik namelijk niet zo goed mee omgaan, maar ik ben het aan het leren.” 

Een regenboog zijn voor een ander
Hij doet het zo goed en zo zijn best, als je maar achter het gedrag durft te kijken. Het is vallen en opstaan en wees eerlijk, voor welk mens geldt dat niet? We vallen allemaal en staan hopelijk net iets vaker op. En ja, soms met hulp van de ander. Die hulp wens ik iedereen.

Maya Angelou zei eens: ‘Try to be a rainbow in someone’s cloud.’ Hoe mooi om een regenboog te kunnen zijn voor een ander! 

0 thoughts on “Be a rainbow in somebody’s cloud”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: